© 2009 de talentenacademie

13 december 2006
Nieuwe Revu
door Jaap Visser
Strakke boel bij Bram Som thuis. De Europees kampioen op de 800 meter bewoont een fraaie etage in de Arnhemse binnenstad. In het statige pand met zijn grote ramen en originele details heeft de hardloper oude chique vermengd met moderne rechtlijnigheid. Dat zegt wat over de man (26), over zijn denken en doen, langs uitgekiende schema's, pragmatisch. Maar behalve een strakke is er toch ook een losse Som. Vandaar die voortreffelijk uitgeruste keuken in zijn appartement op stand. Koken is meer dan een liefhebberij van de Achterhoeker van geboorte. Het is a way of life van zowel de atleet als de levensgenieter. Voor de risotto Som met gegrilde zalm komen de mensen graag nog eens weerom.
Beestachtig was hij op 13 augustus 2006 in Göteborg, on-Nederlands goed. De Europese 800 meterfinale liep uit op gooi en smijtwerk en Som belandde buiten de baan. Stelt dat het onze middelange afstandtoppers van eind vorige eeuw, Rob Druppers, Han Kulker en Marko Koers, was overkomen. Deze mooie lopers zouden uit het veld geslagen zijn en de race hebben gestaakt. Zo niet Som, die vocht zich terug in de finale en deelde zelf een tik uit, de beslissende.
De twee laatste wereldrecordhouders van de 800 meter keken er van op. Wilson Kipketer en Sebastian Coe waren al ver voor het EK van Som's aanleg overtuigd. Maar op de man af gevraagd plaatsten de Keniaan en de Engelsman hem in het rijtje Druppers, Kulker, Koers. Een talent wordt pas een winnaar als hij een killer kan zijn, verklaarde zowel Kipketer als Coe zich nader. Som begreep wat hem te doen stond en maakte zich de noodzakelijke vechtersmentaliteit eigen. Nogal een prestatie voor iemand die uit een warm welvaartsnest komt.
Revu liep met de Europees kampioen het hele proces langs en ontdekte en passant ook de Bram Som van het koken.
‘Gym. Ik zat op gym, een mietensport. Ik had er natuurlijk veel aan, maar zo ervoer ik dat niet.'
‘Ja. In de familie werd aan atletiek gedaan en in atletiek had je wedstrijden. Dat was stoer, stoerder dan gym.'
‘Ik deed van alles, van horden tot de 5000 meter. Op mijn vijftiende liep ik de vijf kilometer in 17 minuten en een paar jaar later was ik nationaal juniorenkampioen op de 200 meter.'
‘Omdat ik het geluk had dat Honoré Hoedt zich met mij ging bemoeien. Negentig procent van de atletiektrainers zou mij naar de meerkamp of de 400 meter hebben gedreven. Omdat ik op het eerste gezicht toch meer sprinter dan lange afstandloper ben. Op de 400 meter zou ik ook meteen vrij goed zijn geweest, voor Nederlandse begrippen dan, maar nooit een wereldtopper zijn geworden. Honoré maakte de juiste optelsom van mijn kracht, werklust en type spieren en zei: "Jij bent een 800 meterloper." Hij bracht het zo overtuigend, dat ook ik ineens grote mogelijkheden zag. Toen ben ik mij gaan specialiseren.'
‘Goed, buitengewoon goed. Als het regende zeiden mijn ouders: "Kom joh, we brengen je wel even naar de training." En vanaf mijn achttiende: "Tuurlijk Bram, neem de auto maar." Bij ons thuis kwam altijd alles goed, het escaleerde nooit, het liep nooit in de shit. Het was gezellig thuis, er werd veel gepraat en voordat er iets mis kon gaan, grepen mijn ouders al in. Ik heb nooit eens hoeven denken van: Jezus, hoe kom ik hier nu weer uit. Als je zo beschermd opgroeit, moet je iets extra's ontwikkelen, weerstand, maar dat besef kwam pas later.'
‘Toen ik zomaar ineens bij de wereldtop zat. In 2000 had ik vier kansen op me te plaatsen voor de Spelen van Sydney. Ik had er al drie verneukt toen ik er bij een wedstrijd in België toch heel onbevangen invloog. Mijn pr was 1.45,73, de limiet voor Sydney was 1.45 en ik liep moeiteloos 1.44,56. Ik voelde geen enkele druk, maar vanaf dat moment gold ik als een serieuze atleet en daar ging ik me ook naar gedragen.'
‘Dat ik begon na te denken. De onbevangenheid was op slag verdwenen. Ik begon druk te voelen.'
‘Mogelijk. In elk geval heb ik mijn lichaam te veel onder druk gezet. Plotseling was daar de tegenslag die ik niet kende. Ik wist niet waar ik het zoeken moest, vooral ook omdat ik een binnenvetter was die zijn chagrijn verborg. 's Nachts lag ik wakker, maar dat liet ik niet merken. Ik durfde mijn gevoelens niet te uiten. Kwam ik op de training en Honoré vroeg: "Hoe is 't Bram?", antwoordde ik: "Goed." Maar het was helemáál niet goed. Zelfs toen mijn verkering uit ging, deed ik nog alsof er niets aan de hand was. Ik had moeten zeggen: "Honoré, het gaat helemaal niet goed, ik voel me hartstikke kut." Dan had hij kunnen zeggen: "Goed dat ik het weet, we passen de training aan." Godzijdank ging ik beseffen dat ik maar beter open kaart kon gaan spelen. De communicatie met Honoré is er een stuk beter door geworden. Het leven is sowieso een stuk prettiger als je kunt zeggen hoe je je voelt.'
‘Nou nee, dat heb ik toch vooral zelf gedaan. Door die slepende blessure kwam ik los, ben ik me gaan uiten en daar kwamen hele gesprekken met Honoré uit voort. Op een dag zei ik tegen hem: "Volgens mij heb ik het licht gezien. Ik kap met al die clinics, al die praatjes, al die onzin. Ik ga gewoon keihard trainen, bewust trainen, en meer niet." Het kwartje was gevallen, ik moest me meer gaan focussen op het lopen.'
‘Veel te veel. En niet omdat ik daar nou zo'n zin in had, helemaal niet, maar ik kon geen nee zeggen. Dan wilde ik 's avonds lekker op de bank gaan liggen, maar dan moest ik er weer op uit, om ergens een looptraining te geven, of een lezing die ik ook nog eens moest voorbereiden. Al die ballast verhinderde dat ik me optimaal concentreerde op trainingen en wedstrijden. Ik vloog van hot naar her, was altijd maar bezig om bijzaken te plannen, alleen maar omdat ik niet af durfde te zeggen. Want dan zouden ze me wel eens een arrogante klootzak kunnen gaan vinden. Ik had ook niet de innerlijke rust om dingen niét te doen. Vóór die blessure vatte ik het te makkelijk op, had ik iets van: ach, moet kunnen allemaal. Nou, het kon dus niet allemaal.'
‘Die hebben me bewuster van mijn mogelijkheden gemaakt. Ze hebben het geloof in mezelf aangewakkerd.'
‘Ja, hoe dan? Zoiets is een proces dat zich bijna ongemerkt voltrekt. Het lijkt soms wel een spel. In Helsinki zaten Marco Hoogerland en ik op een terrasje wat voor ons uit te lullen. Hij: "Zeg Bram, denk jij dat je een Nederlands record kunt lopen, dit jaar?" Ik: "Dit jaar? Mwah, denk het niet. Dat is toch nog wat te hoog gegrepen." De volgende dag liep ik 1.44,3. Ik naar Marco toe: "Hé Marco, dat record hè, dat gaat er dus aan dit jaar hè." Zo werk het ongeveer, het gebeurt gewoon vaak dat ik terug moet komen op dingen die ik met hem besproken heb.'
‘Het was te gek, ik voelde me zo goed, zo sterk. Ik zat nog middenin de overwinningsroes en wilde even laten zien dat ik niet alleen de laatste honderd meter hard kan lopen. Die Europese finale goed beschouwd een waardeloze race geweest, leek nergens naar. Voor de start was ik blijkbaar toch niet genoeg overtuigd geweest van mijn winstkansen, anders had ik me nooit laten insluiten.'
‘Woede. Ik was laaiend. Omdat ik de sterkste was, dat gevoel was toch op komen zetten. Bovendien had ik nog zo veel power. Ik dacht: maar wacht eens even, ik laat me hier niet opzij zetten, ik heb nog een paar versnellingen in de benen, ik ga dit gewoon winnen, verdomme nog aan toe.'
‘Ook. Het was het resultaat van mijn totale ontwikkeling van zachte, sociale jongen naar vechter. Mijzelf durven uiten, nee kunnen zeggen, mijzelf niet onderschatten, dat alles bij elkaar heeft mij anders gemaakt, als atleet. Het heeft me een killersinstinct gebracht.'
‘Daar zou ik me vroeger heel erg druk om hebben gemaakt, om wat anderen van die sokken vinden. Zelf vind ik ze ook niet bepaald mooi, maar het zijn een soort steunkousen, ze vangen klappen op en ze bevorderen de afvoer van afvalstoffen. Op de training draag ik ze altijd, maar in wedstrijden durfde ik het niet, bang dat er de volgende dag in de kranten zoiets zou staan als Bram Som met zijn idiote kousen. Maar dat boeit me niet meer. Of ik nu wel of niet voor lul loop, daar gaat het niet om.'
‘Juist ja, een klootzak, maar dan alleen in de wedstrijd hè. Daarbuiten ben ik die hele sociale jongen gebleven, hoop ik.'
‘Ver weg man, te ver weg nog, maar ik kan je wel vertellen waar ik heel veel zin in heb, wat ik graag nog eens zou doen als ik me goed voel. Rammen, er vol invliegen en dan maar kijken waar het op uit loopt. Een 800 meter lopen zoals Johnny Gray dat altijd deed.'
‘Ik weet dat je met dat rammen geen vrienden maakt, maar ik voel er een enorme aandrang toe. Ook om mijzelf te testen.'
‘Om te kijken of ik zomaar, beng vanaf de start, 1.44 kan lopen. Als ik dat kan, zou dat zo veel rust geven. Want dan kun je zeggen: ik heb niemand nodig om hard te lopen. Als ik wil, loop ik verdomme zelf wel hard.'
‘Ja, door een saunaatje te pakken. Of een boek. Vroeger las ik nooit, daar had ik de rust niet voor. Ik heb mij met behulp van uittrekselboeken door de middelbare schoolexamens geworsteld. Maar nu lees ik graag. Kluun heb ik laatst gelezen en ik heb nu net De Vliegeraar uit.'
‘Koken, dat vind ik echt geweldig. Dat is een passie geworden. Past ook perfect bij mijn atleet zijn, gezond eten, voedzaam, ontspannen bezig zijn in de keuken.'
‘Tja, nou ja voor mijn risotto met gegrilde zalm komen de mensen graag terug.'
‘Er moet in elk geval één hele goeie kaas in, een pecorino, kipbouillon en een bolletje venkel voor een licht zoetige smaak. Een courgette er door, paddestoelen doen het ook het goed.'
‘Niet zo veel, wat peper en zout er op, viskruiden, niet al te veel, en dan onder de grill. O ja, ik haal die zalm niet bij Albert Heijn, maar vers van de markt.'
‘San Pellegrino, maar een wijntje mag ook hoor. Wit bij vis, maar ik heb een voorkeur voor rode wijn, liefst een stevige Chileense of Zuidafrikaanse. Mijn vader heeft er behoorlijk verstand van en ik laat me graag door hem adviseren. Koken en dan lekker uitgebreid tafelen, dát is ontspannen. Maar ik geniet ook van het inkopen doen. Ik heb zo mijn eigen winkeltjes, een heerlijke Italiaan bijvoorbeeld voor de zongerijpte tomaatjes en de pecorino. Daar drink ik ook een espresso en maak ik een praatje. Die cultuur, die warmte, dat sociale, dat kennen wij Nederlanders toch niet. Na het EK ben ik met een paar vrienden naar Italië geweest. Meesterlijk.'
‘We gingen richting het Gardameer en ik had Andrea Longo, die in Göteborg bij mij in de finale zat, beloofd dat ik hem zou bellen als ik in de buurt zou zijn. "Kunnen we langs komen Andrea, komt het gelegen?" Hij belde meteen zijn ouders en die nodigden ons uit op hun boerderijtje, een kilometer of tien buiten Padova. Ze spraken geen woord over de grens, maar dat maakte niet uit. Respect, dat was er, en warmte. Alles wat die avond op tafel kwam, was van de eigen boerderij, salami, kip, konijn, zelfs de grappa was zelf gestookt.
‘Reken maar. Andrea's trainer was er ook bij, die komt uit die buurt en zong achter elkaar de prachtigste volksliederen van de streek. Het ging door tot diep in de nacht en het was fantastisch.'
Som kijkt op zijn horloge, en nog eens. De plicht wenkt, bijna trainingstijd. Voor hem op tafel staat een fles olijfolie van de buiten categorie: Le Minale, uit Lazise bij Verona. Die heeft hij, terwijl we het over koken hadden, even snel tevoorschijn gehaald. Om te benadrukken dat olie van een extra kwaliteit het halve werk is. Ook bij de Risotto Som. De olie gaat terug naar de keuken en de losse Som zet de boerderij van de Longo's uit zijn hoofd. Bram keert terug naar de rechtlijnigheid van een trainingsschema. Tijd om te gaan.